Wat eerst van één was
Bijgewerkt op: 6 sep
Er zijn gesprekken waarin er opeens niets meer hoeft.
Waarin er een welkom is voor wat er speelt. Waarin iets moeilijks kan bestaan en gewoon mag blijven liggen. Niemand die er meteen iets mee hoeft. Niemand die weg hoeft.
Voorbij wie gelijk heeft. Voorbij goed of fout.
Je merkt het aan je lichaam voordat je het begrijpt. Je schouders zakken. Je adem wordt lager.
Er ontstaat ruimte. Niet van mij alleen. Niet van jou alleen. Een ruimte tussen ons, waarin ontvangen kan worden wat er leeft.
En dan gebeurt er iets.
Wat eerst van één was, wordt van twee.
Niet omdat de ander het overneemt. Niet omdat de ander het moet dragen of oplossen. Maar omdat er iets in de ander mee begint te bewegen.
Het is niet meer alleen van mij. En ook niet ineens van jou. Het ligt tussen ons in en we kijken er samen naar.
Wat gebeurt hier eigenlijk? Wat raakt dit in jou? Wat raakt dit in mij? Wat leeft hier misschien onder?
Dan ontstaat er nieuwsgierigheid. Vertel eens. Hoe is dat voor jou?
En soms legt de ander er iets naast wat ik nog niet wist. Iets wat ook waar is. Iets wat ook gezien wil worden.
Alles mag daar liggen. Boosheid. Een grens. De behoefte aan nabijheid en de behoefte aan ruimte. Verlangen en gemis. Verdriet dat nog geen woorden heeft. Ook wat nog trilt, wat nog niet af is, wat nog niet klopt. Wat je nog niet kunt uitleggen omdat je zelf nog niet weet wat het is.
Samen dragen betekent niet dat de ander het moet oplossen. Alleen dat het niet meteen terug hoeft naar degene die het heeft ingebracht. Dat het even tussen ons mag blijven liggen, terwijl we er samen naar kijken.
Soms maakt dat kijken iets zichtbaar. Een grens die er al lag. Iets dat niet langer kloppend voelt. Iets dat niet zo kan blijven. Of misschien dat we elkaar niet kunnen ontmoeten in wat we allebei nodig hebben.
Ook dat is geen mislukking van het samen kijken. Misschien is het juist wat zichtbaar wordt wanneer er werkelijk gekeken mag worden.
En toch lukt dat kijken niet altijd.
Soms leg ik iets neer wat de ander op dat moment niet kan ontvangen. Dan schuift het terug, en voel ik hoe snel ik het weer alleen ga dragen.
En soms ben ik degene die niet kan ontvangen. Die iets hoort en meteen wil rechtzetten, uitleggen of terugleggen waar het vandaan kwam. Alsof iets moeilijks niet even bij me kan blijven zonder dat ik er meteen iets mee hoef te doen.
Dat is niet altijd onwil. Soms is het gewoon de grens van wat er op dat moment mogelijk is.
Wanneer het wel lukt, is er niet ineens de zekerheid dat we altijd hetzelfde willen. Niet de belofte dat het goedkomt.
Maar iets eenvoudigers.
Dat ik niet weg hoef van mezelf om bij jou te blijven.




Opmerkingen